Transformators vormen het hart van de meeste hoogspanningsstations. In een transformator wordt de elektrische spanning veranderd zodat netten en verbindingen met verschillende netspanningen aan elkaar gekoppeld kunnen worden.

Denk even aan de St(r)oomcursus. Het elektriciteitsnet bestaat uit een hiërarchisch net met een handvol verschillende spanningen. Met transformators kan je twee of meer van zulke netten aan elkaar verbinden. Vermogen gaat aan één zijde de trafo in en komt er aan de andere kant weer uit, waarbij de spanning een vaste, vooraf bepaalde factor hoger of lager is gemaakt. De stroomsterkte verandert automatisch mee en doet het tegenovergestelde: als je de spanning verhoogt wordt de stroomsterkte juist verlaagd, en andersom. Zonder transformators zou het huidige elektriciteitsnet onmogelijk zijn.

220/110 kV koppeltrafo op Hessenweg
Koppeltransformator op station Hessenweg. Aan de rechterzijde komt een circuit van 220 kV de trafo binnen, om als circuit van 110 kV de trafo links weer te verlaten. Merk op dat de spanning halveert (te zien aan de lengte van de isolatorkettingen, die worden korter) terwijl de stroomsterkte verdubbelt (de fasedraden aan de 110 kV-zijde zijn opeens tweebundels geworden om meer ampères aan te kunnen). Foto door Hans Nienhuis.

Hoe werkt een transformator?

Een transformator, in Nederland vaak afgekort tot trafo en in België tot transfo, is een grote machine waarin zich een of meer zware geïsoleerde wikkelingen koperkabel en een ringvormige metalen (weekijzeren) kern bevinden. De koperwikkelingen, spoelen geheten, zijn om de kern heen gewikkeld. Bij de meeste soorten trafo's zijn dat twee willekingen per fase, zodat er in totaal drie setjes van twee wikkelingen in de machine zitten. Een van de spoelen is echter veel vaker om de kern gewikkeld dan de andere. De spoel met de meeste wikkelingen wordt over het algemeen de primaire zijde genoemd en de spoel met minder wikkelingen heet de secundaire zijde.

Wanneer er een elektrische wisselspanning op de spoel met de meeste wikkelingen wordt gezet, dan ontstaat in de koperwikkelingen een zeer sterk magnetisch veld. Daardoor wordt ook de weekijzeren kern, het blikpakket geheten, magnetisch geladen. De andere spoel reageert op zijn beurt op het magnetisch veld dat de kern heeft verkregen en uit deze tweede spoel zal de stroom weer tevoorschijn komen, maar nu met een lagere spanning omdat de tweede spoel minder wikkelingen heeft. Op die manier kan het voltage worden teruggebracht. Maar omdat er geen elektrisch vermogen kan achterblijven in de trafo gaat de stroomsterkte juist omhoog en komt uiteindelijk toch hetzelfde vermogen weer de machine uit, maar nu in een andere verhouding tussen stroom en spanning. 

Er zijn veel filmpjes over hoe een transformator werkt, maar het materiaal van Learn Engineering is buitengewoon geduldig en duidelijk, ook grafisch. Men bouwt een vermogenstrafo op en laat daarbij zien hoe hij elektrisch werkt. Het enige jammere is dat het filmpje engelstalig is, maar zelfs zonder tekst is het zeer verhelderend.

110 kV-transformator in Meppel

110/10 kV-transformator in Meppel. Met deze grote machine zit het plaatselijke middenspanningsnet aangesloten op het hoogspanningsnet. De tank rechtsboven is het expansievat voor de koelolie en de ronde dingen onderaan zijn ventilatorkorven om de radiators extra te koelen. De transformatieverhouding is 1:11. De primaire zijde is ontworpen op 110 kV, elf keer zoveel spanning als de secondaire zijde van 10 kV. Foto door Hans Nienhuis.

Het aardige is nu dat dit kunstje ook de andere kant op werkt. Wanneer we de machine andersom aansluiten en een wisselspanning op de secundaire spoel zetten, zal de primaire spoel reageren door de elektriciteit er juist weer uit te laten komen met een veel hogere spanning en een lagere stroomsterkte.
Met een transformator kan je dus de belangrijkste twee grootheden van elektriciteit laten veranderen en telkens de verhouding geven die nodig is. En veranderen, dat is precies wat het woord transformator betekent. (Transformator is herleid van van het Engelse transformer, wat op zijn beurt afstamt van het Latijnse trans formis, wat letterlijk zoiets als van uiterlijk veranderen betekent.)

Net zoals met de meeste uitvindingen is ook de transformator niet door één persoon bedacht. Michael Faraday, Michail Dobrowolski en Nikola Tesla krijgen doorgaans de meeste eer. Maar ook minder bekende namen zoals Pavel Jablochkoff, Elihu Thomson, Arthur Austin, Charles Scott en Hans Ørsted hebben belangrijke bijdragen geleverd en uiteindelijk hebben talloze andere ingenieurs het ontwerp steeds verder verder vefijnd tot wat het vandaag is. Tegenwoordig hebben we dan ook allerlei subvarianten op het basisontwerp, elk met een specifieke functie.

  • Eénfasetrafo: transformator waarin slechts één fase van spanning wordt veranderd. In feite is een driefasentrafo niets anders dan drie éénfasetrafo's in dezelfde behuizing, maar in sommige specifieke situaties is het handiger om drie losse machines te bouwen die elk één fase voor hun rekening nemen, zoals bij zeer grote exemplaren of kwetsbare exemplaren.
  • Autotrafo of spaartrafo: vermogenstrafo waarbij de primaire en secundaire spoel uit dezelfde koperwikkeling bestaan, waarin de secundaire wikkeling 'ontstaat' door een aftapping (een zogeheten tap) in de primaire spoel te maken. De precieze natuurkunde daarachter voert tot buiten deze pagina (maar Wikipedia weet er wel raad mee). Deze opbouw spaart of bespaart koper (vandaar de naam), maar deze trafo's kunnen eigenlijk alleen gebruikt worden wanneer de primaire en secundaire spanning relatief dichtbij elkaar liggen.
  • Koppeltrafo: vermogenstrafo voor extra grote vermogens, waarmee koppelnetten kunnen worden verbonden. Vaak kunnen deze enorme trafo's vermogens van meer dan 500 MVA aan.
  • Dwarsregeltrafo: speciale vermogenstrafo waarmee enigszins kan worden gespeeld met de richting van het vermogen, zodat de loadflow in een hoogspanningsnet tot op zekere hoogte geografisch kan worden gestuurd
  • Variac: variant op een autotrafo waarin een automatische of handmatige kleine variatie in de tap mogelijk is, zodat de precieze transformatieverhouding een klein beetje kan variëren. Dat is erg handig als men enigszins moet inspelen op bijvoorbeeld wisselende netbelasting of een variatie in de primaire spanning.
  • Step-up trafo: bedoeld om generatorspanningen vanuit centrales op te drukken naar de netspanning van het hoogspanningsnet waarmee deze is verbonden.
  • Boostertrafo: variant op een autotrafo, maar waarbij de primaire en secundaire zijde bijna dezelfde waarde hebben. Hiermee kan zogeheten spanningsval in een net of verbinding (bijvoorbeeld een lange zeekabel) worden gecompenseerd, waarbij het verlies in spanning wordt veranderd in een klein verlies aan stroomsterkte waarna alsnog weer gewoon kan worden verbonden met het net van de beoogde oorspronkelijke spanning.
  • Thomsontrafo: speciale transformator die ertegen kan dat de secundaire zijde wordt semi-kortgesloten. Dat kan zeer handig zijn bij kleinschalige toepassingen zoals booglassen, maar ook bij zware industrie zoals het Hallproces in aluminiumsmelters.
  • Meettransformatoren: verlagen de hoge (gevaarlijke) netspanning naar een veel kleinere waarde zodat meetapparatuur er veilig mee kan worden verbonden

Toch is in al deze subvarianten telkens de grootschalige opzet van een weekijzeren kern, koperwikkelingen en drie fasen altijd terug te vinden. Transformators zijn daarmee een elegant voorbeeld van het nuttig samenbrengen van materiaalkunde, elektromagnetisme, natuurkunde, praktisch nut en een in hoofdzaak bijna onwaarschijnlijke simpelheid.

Een wereld vol transformators

Transformators zijn dan ook overal. De kleinste exemplaren zijn nog geen kubieke centimeter groot en je kan ze vinden op printplaten in je computer. Een slag groter is de meest bekende schaal: hangend in het stopcontact, waar ze meestal adapters genoemd worden, zijn het notoire ergerniswekkers omdat ze continu energie gebruiken, in de weg hangen voor de tweede aansluiting, niet naast elkaar in een stekkerdoos passen of omdat ze te pas en te onpas uit het stopcontact naar beneden kletteren. (Een plotselinge klap, duisternis, afgebroken stekkerpootjes… krijg je het kerstmisgevoel al?)

Grotere exemplaren kan je aantreffen in oudere lasapparaten en andere machines op driefasig 400 volt. Daar zijn de transformators al behoorlijk zware dingen geworden die zich lastig laten optillen. Waarschijnlijk heeft de transformator vanwege deze nadelen een betrekkelijk slechte naam op huiskamerniveau.
Kijken we weer een slag groter, dan komen we bij bedrijven, industriepanden, netstations en paaltransformators terecht. Deze transformators voor middenspanning (tot 20 kV ongeveer) wegen al snel een paar honderd kilo tot een paar ton. Ze kunnen een vermogen van tientallen tot honderden kilowatts of zelfs een paar megawatt aan.

Trafo's in het hoogspanningsnet in het Drechtstedengebied

Waar bevinden zich transformators? Op een netkaart is dat eenvoudig te zien aan de labels. Ieder station biedt plek aan een of meer trafo's.  

De allergrootste trafo's die we kennen vinden we uiteindelijk in het hoogspanningsnet. Met een specifiek woord noemt men ze vermogenstransformators en deze categorie begint zo ongeveer bij een vermogen van 10 MVA. De bovengrens moet je in onze streken zoeken in de orde van 500 tot 750 MVA en deze machines wegen met gemak 300 ton. In Nederland en België zijn ze te vinden op plekken waar het 380 kV-net verbinding maakt met 220 kV, 150 kV of 110 kV. De zwaarste trafo's die in de Benelux dienst doen staan in Meeden, in het noorden van Nederland. Daar staan twee exemplaren met beide een capaciteit van 1000 MVA per stuk. Dat is groot genoeg om in zijn eentje het vermogen van een flinke elektriciteitscentrale te kunnen transformeren.

150/50 kV transformator op Dodewaard

Trafo op Dodewaard. Dit exemplaar transformeert 150 kV omlaag naar 50 kV. Het vermogen is ongeveer 50 MVA en dat betekent dat het voor hoogspanningsbegrippen een kleintje is. Wie hem moet verplaatsen zal daar wellicht anders over denken. Foto door Hans Nienhuis.

De aansluitingen voor de fasedraden van de aangekoppelde netten zitten bovenop de machine (keramische isolators). Meestal staat de hele trafo boven een bak met grind (een lekbak voor de olie, in het geval van calamiteiten). Maar er zijn ook onderdelen die je niet altijd aantreft. Dat heeft voornamelijk te maken met de manier waarop de trafo gekoeld wordt, iets wat op zijn beurt bepaald door het vermogen en of het apparaat binnen of buiten staat. 

Vermogenstransformators kunnen moeiteloos beide kanten op werken, afhankelijk vanaf welke zijde het vermogen wordt aangeleverd. Maar je hebt ook types trafo's (zogeheten step-up- of opspantrafo's) die alleen omhoog kunnen transformeren. Dit type is met name te vinden in grote elektriciteitscentrales. Een transformator, van welk soort dan ook, kan echter alleen werken met wisselstroom. Dat is ook de reden waarom wisselstroom lang geleden de Oorlog der Stromen heeft gewonnen. Gelijkstroom van spanning laten veranderen is een hele klus wanneer er een groot vermogen in het spel is, terwijl dat met wisselstroom gedaan kan worden met een relatief simpele machine die in essentie niets anders is dan een (heel) groot stuk hardware zonder delicate stuurelektronica.

Als je nog meer wilt weten over de precieze technische werking van transformators, lees hier verder of bezoek eens een website van een fabrikant, zoals SGB-Smit in Nijmegen

Transformatieverhoudingen

Wie een beetje rond surft op de netkaart ziet dat er tientallen spanningen in gebruik zijn en ook dat er een bijna oneindige variatie lijkt te zijn in de transformators die verschillende netten koppelen. Soms wordt 380 kV aan 220 kV verbonden, maar op een andere plek wordt 380 kV rechtstreeks in 110 kV of zelfs in 70 kV omgezet. Toch lijkt er een soort grens te zijn: als je van 380 naar 10 kV wil zie je dat nooit rechtstreeks gebeuren, maar het komt ook nooit voor dat er wel acht stappen tussen zitten. Vrijwel altijd is de spanningscascade in het net beperkt tot minimaal twee en hooguit vijf stappen. De reden daarvoor? Een optimum vinden tussen historische standaards (welke spanningen voert het bestaande areaal in het gebied) en technische voorkeur (hoe beperken we de netverliezen en de uitgangsstroomsterkte). Aan de ene kant wil je zo groot mogelijke stappen nemen (dat scheelt tussenliggende netten en machines), maar aan de andere kant wil je de stappen ook niet té groot maken omdat de maximale stroomsterkte aan de secundaire zijde van de trafo dan te groot wordt. Hoe zit dat nou?

We nemen een ideale trafo in gedachten met een rendement van 100%, een primaire spanning van 220 kV en een secundaire spanning van 110 kV. De transformatieverhouding is dan 1:2. Wanneer we daar een stroomsterkte van 1000 A in sturen, zal aan de zijde van 110 kV de stroomsterkte dus verdubbelen naar 2000 A. Daar zijn dikkere draden en zwaardere wikkelingen voor nodig. Nu nemen we een andere trafo, een exemplaar van 380 kV naar 70 kV. Die heeft al een transformatieverhouding van ongeveer 1:5,5. Wanneer we die voederen met 1000 A krijg je al ruim 5500 A op de secundaire zijde. Dat begint vrij heftig te raken voor wat je met vermogensschakelaars en andere apparatuur ontworpen voor 70 kV nog de baas kan, want doorgaans houden die bij 4000 A wel op. Tot op zekere hoogte kan je daar nog wat mee spelen door de hele trafo op een lager transformatorvermogen te ontwerpen (dan kan er bijvoorbeeld hooguit 500 A in de primaire wikkeling worden gestopt), maar dat levert een minder efficiënte machine op en er zijn ook technische grenzen aan.

Wat voor transformatiestappen je aantreft hangt af van wat voor historische standaards in het netdeel waar je de machine aansluit. Maar ook van het benodigde vermogen, de kosten en technische grenzen. Gebieden met vier of meer getrapte netten en dus veel tussenstappen zijn om die reden zeldzaam, maar ook trafo's van 380 kV rechtstreeks naar 20 kV zie je alleen als het pragmatisch gezien echt niet anders kan.

Torenhoog rendement

Helaas bestaat die ideale trafo met een rendement van 100% niet. Hoewel… we komen er opmerkelijk dichtbij! Voor vermogenstransformators geldt dat het machines zijn met een bijna onwaarschijnlijk hoog rendement. Vrijwel alle elektrische energie die erin gaat komt er ook weer uit komt als elektriciteit. Over het algemeen neemt het rendement toe met het formaat: hoe groter en zwaarder de trafo, hoe minder verliezen. De grootste trafo's die we kennen zijn dus ook de meest rendabele exemplaren. Ze halen doorgaans een indrukwekkend rendement van ruim boven 99%.

Dat mag ook wel, want de energie die toch verloren gaat komt voor het grootste deel vrij in de vorm van warmte. En omdat er een vermogen van tientallen tot honderden megawatts in de trafo wordt gestopt is zelfs een verliespost van 1% al een warmteafgifte van honderden kilowatts of zelfs meerdere megawatts.
Dat is zoveel warmte dat de trafo zichzelf zou smelten en vernielen wanneer hij niet afdoende gekoeld wordt. Bij kleine exemplaren is het meestal voldoende om de buitenzijde koelribben te geven en het ding gewoon 'op de wind te zetten' in de buitenlucht. Daar kan de warmte verdwijnen door op te stijgen of te verwaaien met de wind.

220-20 kV-tramsformators achter scherfmuren op Weiwerd

De twee grote groene machines zijn vermogenstransformators. Deze staan op Delfzijl Weiwerd en ze transformeren 220 kV omlaag naar 20 kV: een transformatieverhouding van 1:11. Ze krijgen hun invoeding van bovenaf, waar 220 kV aan de portalen hangt. De secundaire zijde van 20 kV vertekt via grondkabels. Merk ook de zogeheten scherfmuur op. Foto door Gerard Nachbar.

Grote trafo's moeten actief worden meegeholpen met afkoelen. Binnenin de transformator bevinden de koperwikkelingen en het blikpakket zich in een zogeheten oliebad. Olie geleidt geen stroom, maar kan wel warmte opnemen en als een vloeistof stromen (convectie) en zodoende als veilige koelvloeistof dienen. De olie binnenin wordt langs de heet wordende componenten geleid waarna deze in externe radiatoren of koelblokken de warmte weer kan afgeven. Bij hele grote trafo's is dat nog niet genoeg en daar moeten op hun beurt ook de externe radiators gekoeld worden. De koeling bestaat daar uit twee trappen.

Koelregimes

De manier waarop de trafo gekoeld wordt heet het koelregime. Er zijn veel mogelijkheden maar de meest gebruikte manieren hebben met lucht en olie te maken. Ze zijn in vijf categorieën in te delen.

ONAN – Oil Natural Air Natural. Wordt vooral bij kleine trafo's gebruikt. Door hem gewoon op de tocht of in ieder geval vrij van de muren te plaatsen kan het ding zijn warmte voldoende kwijt door koelribben en natuurlijke convectie in de olie.

OFAN – Oil Forced Air Natural. Dit zien we veel bij middelgrote trafo's in de buitenlucht. De olie wordt geforceerd langs de hete delen gepompt, maar buiten is het (meestal) koud genoeg om zonder problemen de warmte weg te dissiperen met radiators.

ONAF – Oil Natural Air Forced. Wanneer de trafo binnen staat (waar het niet waait) is het soms nodig om geforceerd lucht langs de machine te blazen om voldoende afkoeling te verkrijgen.

OFAF – Oil Forced Air Forced. Zeer grote trafo's hebben zoveel koeling nodig dat zowel de olie alsook de lucht geforceerd langs de hete componenten en radiators worden geleid of geblazen. OFAF kan soms redundant zijn aangelegd of er zijn twee systemen tegelijk aanwezig waarbij nummer twee pas aanspringt als het nodig is.

ODAF – Oil Directed Air Forced. Hierbij zijn beide koelingen geforceerd, maar de olie wordt door middel van een specifiek ontwerp van de trafo nauwkeuriger langs de hete delen geleid. Hierdoor kan de trafo kleiner blijven.

Er zijn nog een aantal varianten op het thema die afwijkend werken, zoals olie-watergekoelde trafo's (OFWF, ONWF, ONWN, OFWN) en in sommige zeer specifieke gevallen ook trafo's die met nog een andere koelvloeistof- of wijze werken.

Paaltransformator in Duitsland50 kV-trafo in Nijkerk

Links: paaltransformator in Duitsland (10 kV naar 400V) die gekoeld wordt door natuurlijke convectie (ONAN). Rechts: 50 kV-vermogenstrafo in Nijkerk met actieve koeling in de vorm van OFAF, foto's door Hans Nienhuis en Ot Lesley. 

Trafobrom

Naast warmte en een rondgestrooid magneetveld in de directe nabijheid van de machine verlaat een kleiner deel van de verloren energie de transformator in de vorm van geluid. De aangekoppelde hoogspanningskabels knetteren wel eens wat en de kern van de trafo wordt bij elke wisseling van het magnetisch veld (op 50 Hertz is dat 100 keer per seconde) een klein beetje vervormd onder de immense magnetische krachten die erin omgaan. Dit wordt magnetostrictie genoemd en de fysieke beweging brengt de hele machine licht in trilling. De lucht neemt die trilling over en dat horen we als geluid. Het staat bekend als transformatorbrom of trafobrom en het is een zware brom van precies 100 Hertz. Het geluid heeft een typische eigen klank die je de rest van je leven direct herkent als je het ooit gehoord hebt.

Transformatorbrom

Denk niet te snel dat dat niets voorstelt. Zelfs de verloren energie in de vorm van geluid is bij grote vermogenstransformators geen halve maatregel. Wanneer men de trafo flink belast kan hij op tien meter afstand een geluidsdruk van 85 decibel geven: je moet dan luid praten om er bovenuit te komen. Dat geluid kan hinderlijk zijn voor mensen en dieren in de buurt, of wanneer het trafostation in een gebied staat waar verder geen ander geluid de brom overstemt. In dichtbevolkte streken wordt er tegenwoordig vaak voor gekozen om de trafo's dan maar binnen te zetten in een geïsoleerd gebouw. Dat is duurder en lastiger met koelen, maar het voorkomt overlast door bromgeluid. Bij bestaande machines die langzaam ingesloten raken tussen oprukkende bebouwing is ombouw naar een binnenstation echter niet altijd mogelijk in verband met ombouwkosten, ruimtebeslag en het bestaande koelregime. 

De scherfmuur

Een andere manier om geluidsoverlast te beperken is een zogeheten scherfmuur. Dit meestal U-vormige bunkertje met een open dak schermt het geluid deels af door het omhoog te richten. Een mooie bijvangst, maar eigenlijk is dat niet de primaire functie van een scherfmuur. Die heeft in eerste instantie tot doel om de schade en gevolgen te beperken wanneer er onverhoopt een calamiteit is. Trafo's waarvan de koeling uitvalt, waarin kortsluiting optreedt of die een fatale overbelasting krijgen door een schakelfout, kunnen in brand vliegen of zelfs openbarsten. Zo'n gebeurtenis is erg zeldzaam, maar als het gebeurt komt het neer op brandende olie, gewelddadige vlamboogvorming en weggeslingerde brokstukken die meerdere tonnen kunnen wegen.

scherfmuur

Betonnen scherfmuren achter de 110 kV-trafo's op station Emmen-Bargermeer. Ze lijken misschien op bushokjes die bedoeld om de trafo's uit de wind te houden, maar in feite zijn ze bedoeld om de schade bij een calamiteit te beperken. Helemaal rechts in beeld staat een later geplaatste derde trafo zonder scherfmuur. Foto door Bart Sondaar.

Tegen calamiteiten moeten naastliggende trafo's, andere objecten en (uiteraard) mensen in de omgeving worden beschermd. Een scherfmuur bestaat uit zware betonnen platen of gegoten muren van gewapend beton die tegen een stootje kunnen en die een eventuele brand in ieder geval lang genoeg binnenboord kunnen houden om het hele trafostation af te schakelen zodat er geblust kan worden. Scherfmuren worden soms ook wel als trafocellen aangeduid. Beide termen zijn in principe uitwisselbaar.

150 kV-trafo met een scherfmuur

150 kV-trafo op Lelystad achter een scherfmuur. Die is primair bedoeld om de gevolgen van een calamiteit te beperken. De scherfmuur is van gewapend beton en een dergelijke scherfmuur kan ook dienstdoen als geluidswand, maar dat is op dit station (ver weg van bewoning) niet nodig. Foto door ET.

Falende trafo's op hoogspanningsniveau zijn behoorlijk zeldzaam. Maar onmogelijk is het niet. In het najaar van 2011 vloog er op trafostation Tiel een exemplaar in brand, maar er volgde geen ontploffing. Dat gebeurde helaas wel op 16 maart 2014 op trafostation Monceau-II (ook wel aangeduid als Monceau sur Sambre) in het zuiden van België. Door een oorzaak die wellicht nooit meer gevonden zal worden ontplofte een zware 220-150 kV-dwarsregeltransformator. Persoonlijke ongevallen bleven beperkt tot drie lichtgewonde brandweermannen, maar de klap was zo groot dat het hele station zwaar beschadigd raakte en de koppelfunctie met Frankrijk er meerdere maanden door mee wegviel totdat de schade was hersteld en men een vervangend exemplaar voorhanden had.

Betrouwbaar, maar moeilijk in de omgang

Het huidige hoogspanningsnet, met een handvol netspanningen, deelgebieden en interconnecties, zou niet kunnen functioneren zonder transformators. Misschien dat vermogenselektronica ooit concurrerend wordt met de grote groene brommende machines achter de scherfmuren, maar voorlopig is een transformator de enige wijze waarmee men op een snelle, betrouwbare, relatief eenvoudige en efficiënte manier sturing kan geven aan het hoogspanningsnet. Toch wil dat nog niet zeggen dat ze goedkoop zijn, makkelijk te bouwen zijn of snel vervangen kunnen worden als er iets mis gaat. Kritische exemplaren zijn vaak redundant uitgevoerd en soms heeft men zelfs een extra exemplaar voorhanden op het trafostation die bij eventuele problemen in een mum van tijd kan worden ingezet. Dat moet ook wel, want de bouw en het transport van een vermogenstrafo is heel wat anders dan Domino's bellen om een Salami medium te laten bezorgen.

Eigenlijk is het dus maar goed dat transformators zo betrouwbaar zijn, want als je ziet wat voor een geheister het is om een grote vermogenstrafo te verplaatsen…