Wie meer dan één mastmodel bouwt, ontwikkelt zijn eigen stijl en voorkeuren.

Iedere modelbouwer ontwikkelt in de loop der tijd zijn eigen strategie om problemen op te lossen en zijn eigen persoonlijke bouwstijl- en cultuur. Dat betekent dat geen mastmodel hetzelfde is en tussen twee verschillende modelbouwers kan je structurele verschillen zien. Dat zien we niet alleen bij de schroevers. Ook soldeerders, verlijmers en zeker ook de computermodelbouwers houden er ieder hun persoonlijke stijl en voorkeur op na.

Mastontwerpen

Iedere bouwer heeft zijn favoriete mastontwerpen om graag nog eens na te bouwen. De ene bouwer houdt van elegantie, een ander juist van technisch minimalisme en een derde kiest ergonomisch. En waar de ene modelbouwer de voorkeur geeft aan historische ontwerpen, is de ander gek op moderne masten die volgens de huidige inzichten ontworpen zijn. 

Ook kan de ene modelbouwer een bepaald mastontwerp foeilelijk vinden waardoor deze niet snel nagebouwd zal worden, terwijl een ander dit ontwerp maar wat graag oppakt. Je hebt ook mensen die graag inheemse mastontwerpen uit hun eigen streek of concessie nabouwen terwijl anderen een uitstap naar een buitenlands ontwerp wel zien zitten. Ook praktische overwegingen kunnen een rol spelen: een model van een hoog, smal ontwerp is (net als de werkelijke exemplaren) beter neer te zetten wanneer er weinig ruimte beschikbaar is. Voor wie inderdaad krap de ruimte heeft is een hamerkop of tweevlaksmast moeilijker te plaatsen dan een drievlaksmast of een tonmast.

De ene bouwer is een echte technicus, gespecialiseerd in de staalconstructie. Een ander exemplaar ziet de hoogspanningsmast eerder als het samengestelde resultaat van vakwerkconstructie, bordjes, ladders, balkons, isolators en soms zelfs 'ageing' met losgekomen bluisters verf, een vogelnest en zo hier en daar wat roest. 

Voorkeursschaal

Een ander verschil zit in de schaal. Niet iedereen zal de voorkeur geven aan dezelfde schaal en de redenen daarvoor zijn divers. Soldeerders bouwen door de bank genomen hun modellen op een kleinere schaal na dan schroevers. Als een model moet matchen met andere, reeds bestaande modelbouwobjecten, dan kan de schaal daarop aangepast worden. De schalen 1:14 en 1:37 worden veel gebruikt in de modelbouwwereld, zodat eventuele randartikelen op dezelfde schaal verkrijgbaar zijn.

In andere gevallen is de reden eerder praktisch van aard: het voltooide model moet natuurlijk wel door de deur te krijgen zijn. Of überhaupt onder het plafond passen. Bij een oude 50- of 70 kV-mast van in werkelijkheid 15 meter hoogte is schaal 1:10 of 1:15 goed te doen. Maar bij complexe modellen van zware, grote mastontwerpen wordt dat anders. Een grote combinatiemast die in werkelijkheid hoger is dan vijftig meter, zal bij schaal 1:15 een hoogte van drieënhalve meter bereiken. Dat is natuurlijk leuk, maar net wat minder handig op de jongenskamer of in de mancave. Het kan zijn dat hier een concessie moet worden gedaan waardoor de schaal richting 1:25 of 1:30 trekt. Manshoog is immers nog steeds indrukwekkend.

Kwadratenwet

Materiaalgebruik en de afmetingen van de beschikbare hoeklatten en boutjes zijn ook een factor die iedere modelbouwer overweegt in zijn schaalkeuze. M2-boutjes zijn in bijna alle gevallen optimaal, maar bij een schaal van 1:40 lijken deze boutjes veel te zwaar. Hetzelfde geldt voor hoeklatten: al snel lijken ze te dik.
Ook gaat de kwadratenwet tellen: een dubbel zo hoog model verbruikt niet twee, niet vier, maar acht keer zoveel materiaal! Bij complexe mastontwerpen gaat het dan om tientallen meters hoeklatten, hetgeen een serieus argument is wanneer je budget beperkt is.

Cult

Maar er is nog meer waarin mastenbouwers per stuk verschillen. De ene mastmodellenbouwer begint bij voorkeur bovenaan bij de traversen, terwijl de ander juist liever bij het broekstuk begint. Iedereen heeft zijn eigen voorkeuren, voorkeursmateriaal en unieke bouwmethoden. De ene bouwer zweert bij aluminium en maakt zijn knoopplaatjes van ijzer, terwijl een ander juist knoopplaatjes van zink maakt, gewoon omdat dat zo gegroeid is en omdat ze beiden nauwelijks beter weten dan hun eigen bouwwijze.
Ook de tekeningen verschillen per bouwer. De een kan prima omrekenen, terwijl de ander de voorkeur heeft voor een tekening op dezelfde schaal als het uiteindelijke model zodat de staven zich direct op de tekening laten aftekenen.

Soms kan je zelfs een mate van cult ontdekken bij mastenbouwers: zie je die schroevendraaiers waarmee het model geschroefd wordt? Hee, zijn dat niet van die eh.. spanningzoekers? 

 

Er is altijd meer

Wat voor alle mastenbouwers opgaat is dat ze geduld kunnen opbrengen, niet bang zijn voor een schrammetje en dat ze weten hoe ze handgereedschap of soldeerbouten kunnen gebruiken. Als mastenbouwer ben je ook nooit uitgeleerd, want er zijn altijd weer nieuwe uitdagingen. Bouwers die een aantal steunmasten hebben gebouwd, kunnen een nieuwe uitdaging vinden in het bouwen van een (doorgaans moeilijker) hoekmast, of zelfs een wisselmast. Andersom geldt voor de hardcore hoekmastenmakers dat een steunmast meestal met dunnere profielen wordt gebouwd op dezelfde schaal, zodat er hogere eisen aan je nauwkeurigheid gesteld worden.
Of, voor beiden interessant, het aangaan van heel nieuwe uitdagingen zoals om een schoormast te bouwen waarbij je tuikabeltjes zult moeten kunnen spannen. Er zijn altijd nieuwe uitdagingen om aan te gaan, nieuwe problemen om op te lossen en nieuwe manieren om telkens jezelf voorbij te streven in de hang naar steeds verder toenemende perfectie. 

 


Omhoog