50 en 60 Hz is een experimenteel bevonden optimum tussen de hoge wisselfrequentie die trafo's, inductie- en kooiankermotoren prettig vinden en de lage wisselfrequentie die noodzakelijk is om lange transportverbindingen te kunnen laten functioneren zonder teveel impedantie en transmissieverliezen. Bij lage frequenties zoals 16,7 Hz of 20 Hz zijn motoren, trafo's en booglampen niet vooruit te branden. Maar bij frequenties zoals 130 Hz of 400 Hz (vliegtuigen) is het juist onmogelijk om lange driefasen-transportlijnen te maken. Met de techniek van ruim een eeuw geleden was vermogenselektronica en HVDC onmogelijk, zodat gelijkstroom niet op grote schaal tot een transportnet kon worden gesmeed. Ook frequentie-omvormers waren duur en kwetsbaar. Het handigste was het dus om met wisselstroom een compromis te vinden, een frequentie waarbij alle apparaten en verbindingen allemaal nog min of meer nog acceptabel zouden functioneren. Dat werd gevonden in een frequentie van 50 en/of 60 Hz. Technisch is er tussen die twee overigens zo weinig voor- of nadeel dat het geen naam mag hebben.

De exacte keuze voor 50 Hz in Europa en 60 Hz in Amerika als setpoint is een heel ander verhaal.
60 Hz in Amerika is een pragmatische keuze: het werd door Westinghouse geprefereerd omdat het een veelvoud is van 3: dat rekende prettig omdat het aantal wikkelingen in een driefasengenerator (het aantal polen) en de benodigde rotatiesnelheid ervan dan telkens allemaal in elkaars verlengde liggen. Dat rekende makkelijk voor de industrie en verkleinde de kans op fouten.
50 Hz in Europa is minder goed gedocumenteerd, maar toen elektriciteit in Europa op kwam beheersten Duitse bedrijven zoals AEG en RWE de markt. Waarschijnlijk is er bij AEG om eveneens rekenkundige redenen voor 50 Hz gekozen: 50 rekent makkelijker dan 60 in veelvouden van tien en veelvouden van seconden. Maar 50 Hz is dus lachwekkend arbitrair: mogelijk had Europa ook 60 Hz gehad als slechts de pet van de Duitse ingenieurs op een blauwe maandag toevallig anders had gestaan."