HoogspanningsNet - alles over hoogspanning op het het

Techniek

Mast van de Maand



Mast 32, 110kV Heerenveen - Rauwerd
----------------------------------------------
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog bouwde PEB aan een 110 kV verbinding van Lemmer naar Rauwerd om Noordwest Friesland van genoeg capaciteit te voorzien. In die tijd was er nog geen landelijk koppelnet. Tot 1952 was dit aan de zijde van Lemmer een steeklijk tot men dacht van we trekken de 110 kV met donaumasten door naar Vollenhove. Anderzijds was de zijde van Rauwerd tot 1970 een steeklijn waarna Friesland in dat jaar van een 110 kV ring voorzien werd omdat Lemmer - Rauwerd lang niet genoeg was voor een hele regio. Ook werd in 1970 halverwege de verbinding aftak Heerenveen-Omweg en verdeelstation Oudehaske gebouwd om de 110 kV aan te sluiten aan in bouw zijnde 220 kV ring van Vierverlaten naar Ens en Zwolle. En tevens voor aansluitingen met de 110 kV verbindingen naar Donkerbroek, Wolvega en Heerenveen. Wat voor sommige pyloon geeks verrassend interessant is aan dit type zijn de kleine verschillen tussen dit type en de hamerkoppen die we in Groningen en Drenthe tegenkomen. Deze maand door Bram Gaastra

Hoogspanning en gezondheid?

Antwoord op alle vragen vind je bij het RIVM (NL) of het Departement Leefomgeving (B).

HoogspanningsNet behandelt dit thema met opzet niet zelf. (Waarom niet?)

Geknetter en gebrom?

Geen zorgen, dat is normaal.

Mastverrommeling


Doet dit ook jouw tenen kromtrekken?


Zoek je de netbeheerder?

Dat zijn wij niet. Ga naar de website van TenneT TSO (NL) of Elia (B).




Of ga naar ENTSO-E voor het Europese samenwerkingsverband tussen netbeheerders.

Berichtenarchief

02 April 2024 Uiteraard betrof het artikel gisteren over de eerste ‘regenboogspanningslijn’ een aprilgrap. Voorlopig komt er geen regenboogcircuit en ook geen diversiteitsquotum voor masten in een verbinding. Voor wie ‘m nog nalezen wil, we laten hem nog een paar dagen staan en dan gaat ie naar het archief zodat Google niet helemaal gek wordt bij het indexeren.


01 april 2024 – Hoogspanningscircuits duidt men we van oudsher aan met kleuren. Zwart en wit, maar ook rood, geel, blauw of paars. Toch wordt per circuit steeds maar één kleur gebruikt. Het past niet meer in deze tijd. In het vorige KCD, veertien maanden geleden door de consultatie gekomen, werd het voorstel gedaan om tegemoet te komen aan meer diversiteit. Inmiddels is in de omgeving van Amsterdam het eerste regenboogcircuit in gebruik genomen. Het betreft een 140 kV-circuit vanaf de Hemweg naar Haarlem, een bewust gekozen tracé om symbolisch extra waarde te geven aan doorbreking van de voormalige hegemonie: hem weg, naar haar. De circuitborden zijn ROGGBP+ proof. Extra handig, voor vrijschakeling bij onderhoud kan voortaan gewoon een standaard regenboogvlag gebruikt worden.

‘s Lands eerste regenboogspanningslijn is slechts het begin. Diversiteit heeft meer gevolgen voor het hoogspanningsnet.

Zo is het niet meer vanzelfsprekend dat hoogspanningslijnen telkens met één mastontwerp gebouwd worden. Een lijn met tonmasten bevat (tja) alleen maar tonmasten en als er een mast vervangen moest worden werd altijd weer eenzelfde mast gekozen. Er komt een lijndiversiteitsquotum: voortaan mogen nieuwe hoogspanningslijnen nog voor slechts een kwart uit hetzelfde mastmodel bestaan, en maximaal 1,4 kilometer achter elkaar. De rest moet bestaan uit masten van een ander ontwerp, uit buismasten of uit hergebruikte masten.

Door elke mastpositie de ruimte te geven anders te zijn wordt maximale diversiteit in het polderlandschap bereikt.

Ook voor individuele masten komt er meer vrijheid. Neem lijnhoeken. Die worden traditioneel alleen door hoekmasten gemaakt. Dat is niet eerlijk. In het buitenland is men verder, want in bijvoorbeeld Frankrijk, Noorwegen en Amerika zijn zogeheten running- of flying angles al normaal. Een lijnhoek kan dan ook door een steunmast worden gemaakt. Zo wordt een 140 jaar oud rollenpatroon doorbroken. Wintracks waren in Nederland hun tijd vooruit, want zij maken al sinds 2010 running angles tot 14⁰. Dit principe blijkt ook met vakwerkmasten te kunnen. In Overijssel is dit getest en daar blijkt dat ook een vakwerksteunmast prima in staat is een lijnhoek te maken.

Zo zien we, het is geen kwestie van je constructie of je een hoekmast of steunmast bent. Het is een keuze.

Er zijn dingen waar de strijd voor meer inclusie nog niet gestreden is. Het diversificeren van de elektriciteit zelf bijvoorbeeld. Echte diversiteit betekent dat iedere opwekker zichzelf kan zijn en dat we naast groene stroom ook ruimte moeten bieden aan kolenstroom, aan oliestook en aan nucleair vermogen. En er is op dit moment ook nog geen werkend maatschappelijk stroomnet denkbaar met slechts één hiërarchisch netvlak.

Hoogspanning was van oudsher een bolwerk van wisselstroom. Een gelijkstroomquotum (streven: 50% gelijkstroom in het koppelnet) hielp niet afdoende. Er is nu gekozen voor een anonieme consultatie. Ingenieursbedrijven mogen met verbindingsontwerpen komen en de netbeheerder moet blind kiezen op basis van technische afwegingen. Hij mag niet meer vooraf zien of het om een ontwerp voor wisselstroom of gelijkstroom gaat en of het mastmodel een buitenlandse naam heeft. Ook de financiële ruimte mag niet meer verschillen voor gelijkstroom of wisselstroom, voor beide wordt precies hetzelfde budget uitgetrokken. Zo moet een verbinding met chainettes of darrieusmasten evenveel kans krijgen als eentje met hamerkoppen.

Nu de regenboogcircuits, flying angles en de steeds diversere hoogspanningslijnen ons land veroveren blijft er één vraag over: blijven we bij HoogspanningsNet niet enorm achter? Ook wij moeten mee. We hebben inmiddels een ontwerp, maar de uitrol ervan in de netkaart zal pas in release 14 worden gerealiseerd.  

Afbeeldingen: regenboogspanningslijn met een ROGGBP+ circuit en randstaafschildering. Voor vrijschakeling kan voortaan een standaard regenboogvlag gebruikt worden. Onder: steunmasten in een rol als hoekmast is niet langer een probleem, in een divers net (streefdatum 2038, 14 jaar van nu) moet minstens 30% van alle hoekposities bestaan uit running angles uitgevoerd door steunmasten.

26 maart 2024 In de buurt van Lelystad is bij werkzaamheden aan een van de hoogspanningslijnen een arm (traverse) naar beneden geknikt. Er hebben zich geen ongevallen voorgedaan, wel zat de snelweg A6 enige tijd dicht.

Omroep Flevoland heeft een item met een kort interview met Jorrit de Jong, met een aantal foto's van de situatie.

Op dit moment zijn er werkzaamheden aan de gang in de betreffende verbinding. Het gaat om Lely – Dronten 150 kV. De lijn met driecircuit-deltamasten is dezelfde als waarin twee jaar geleden een kortsluiting ontstond op trafostation Olsterpad. Die kon toen niet op tijd worden afgeschakeld waardoor de draden in één circuit vanaf Lelystad veel te heet werden. Die beschadigde draden worden nu vervangen en waarschijnlijk is bij die werken iets misgegaan tussen de tweede en de derde reguliere mastpositie, op een plek die onder pylon geeks bekend staat als De Apenkooi (netkaart hier). Over de precieze oorzaak is het nu nog specularen. Mogelijk stond een lierwagen voor het intrekken van de nieuwe draden op een net iets te gewaagde plek zodat de krachten op de traversetop te groot werden.

Wel is duidelijk dat het slechts een ongemak is, bestaande uit een tijdelijk gesloten snelweg. Er is geen stroomstoring geweest en er zijn geen persoonlijke ongevallen. Het beeld hieronder is een archieffoto van de betreffende plek en mast (linker deltamast, rechter circuit daarin). Klik voor vergroting.

Locatie probleem met traverse

21 maart 2024 Het is in Nederland gebruikelijk dat er op een publiek trafostation met koppeling tussen hoog- en middenspanning naast Tennet (voor de hoogspanning) één RNB aan de secundaire zijde zit. Straks gaat die regel niet 100% meer op, want het nieuwe trafostation Zuidplaspolder krijgt een primeur: twee grote RNB-s tegelijk vinden er aansluiting.

Zuidplaspolder in aanbouwHet is al sinds 2004 de gebruikelijke gang van zaken dat op een Nederlands publiek trafostation dat hoog- en middenspanning koppelt twee netbeheerders zijn betrokken. Tennet voor de hoogspanningszijde en een regionaal netbeheerder of RNB voor de zijde met tussen- en middenspanning. Netbeheerders zijn monopolist bij wet en hebben geen concurrentie te duchten in hun rayon. Er is dus zelden een reden voor twee RNB's om aanspraak te willen maken op een koppeling met het hoogspaningsnet op dezelfde plek. De enige uitzondering op die regel zagen we op plekken met zeer kleine RNB's zoals Coteq (met Enexis op Almelo Mosterdpot) of Rendo (met Enexis op Hoogeveen), maar dat was alleen omdat die kleine RNB's een beheersgebied hebben dat nog kleiner is dan het voorzieningsgebied van het betreffende Tennet-trafostation. 

Twee grote RNB's (Liander, Enexis, Stedin) tegelijk op één trafostation, dat was nog niet eerder gedaan. Op het nieuwe trafostation Zuidplaspolder, een stukje oostelijk van Bleiswijk, beleven we nu een primeur voor Nederland: zowel Liander als Stedin krijgen een hoek grond op het terrein.

Zoals meestal is de reden pragmatisch. Het station komt te liggen vlakbij de rand van beide beheersgebieden (die in dit stuk van het land niet netjes de provinciegrens volgt) en zowel Liander als Stedin hebben in de regio een tekort aan capaciteit. Ze hebben beide het nieuwe station nodig. Stedin, aan de zuidwestkant, zit met een sterk 25 kV MS-net, maar precies in de hoek waat Zuidplaspolder wordt gesticht was het nettechnisch nog een beetje leeg op de kaart. Een nieuw koppelpunt met een bovenliggend net geeft kans 25 kV verder uit te rollen zonder het bestaande netblok vanuit Ommoord te plagen met nog meer transportvraag bovenop de groei die toch al bezig is. Liander, aan de noordzijde, heeft de zaken er wat gammeler voor staan met een oud 50 kV-kabelnet dat ooit bedoeld was om kassen aan te sluiten en waarvan de invoeding helemaal uit Alphen aan den Rijn moet komen. Ook Liander zou goed een nieuw koppelpunt kunnen gebruiken om de bestaande 50 kV wat te ontlasten en nieuwbouw op 20 kV te zetten. Of misschien ook wel nieuwe 50 kV, alles is gaan schuiven deze jaren.

Soortgelijke situatie maar dan met één RNB (Olst 110 kV)Maar ja, wie krijgt het station? Er wordt al genoeg geknokt in de wereld en het zou onzin en kapitaalvernietiging (en ook ruimteverspilling) zijn om twee separate 150 kV-stations op een kilometer van elkaar te stichten. In overleg tussen alle drie partijen is besloten tot een niet eerder vertoonde samenwerking: één en dezelfde schakeltuin van Tennet biedt aansluitvelden voor transformators van Liander en ook van Stedin. Beide netbeheerders halen vervolgens de secundaire spanningen binnen op hun eigen installatie om het verder te verschakelen en in hun netblok te verdelen. Voor een van de twee betekent het een station dat nipt in het beheersgebied van de collega staat.

De gevolgen zijn hoofdzakelijk papierwerk, maar voor schakelhandelingen die ertoe doen zal Tennet nu contact met zowel Stedin als Liander nodig hebben en dat maakt het bedrijf van Zuidplaspolder 150 kV in de toekomst net wat ingewikkelder dan dat van andere stations. Verder kan zich de situatie voordoen dat in het netwerk van één RNB wat overproductie zit terwijl de ander een lichte vraag heeft. Er is via het 150 kV-gedeelte van het station een nieuwe weg ontstaan tussen beide netblokken en daar kan ook doortransport doorheen. Dat moet niet te ver uit de hand lopen. Netstudies en verstandig verschakelen zijn op dit gecombineerde station belangrijker dan elders.

Rond eind dit jaar zou het station gereed moeten zijn. Met in totaal drie grote netbeheerders op één HS/MS-station belooft het een leuk (schakel)tuinfeestje te worden als het af is. 

Afbeeldingen: op dit moment is Zuidplaspolder nog vooral plas en polder op de satellietfoto, al verrijzen wel fundamenten voor de toekomstige drie schakeltuinen. Onder: Olst 110 kV heeft één RNB (Enexis), maar de opbouw van het station werpt een kleine schaduw vooruit op hoe Zuidplaspolder zal worden: één primaire schakeltuin en twee separate MS-installaties die afzonderlijk opereren. Op de luchtfoto is een 20 kV-trafogebouw in aanbouw, die staat helemaal los van de bestaande 10 kV-installatie. Luchtfoto door PJK.

22 januari 2024 Vogels komen soms in botsing met de draden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In de media is er de laatste tijd enige reuring rondom een vermeend nieuw type verschrikker of draadmarkering dat het beter zou moeten doen. Tijd voor een nadere blik op de zogeheten Firefly.

Knijp maar eens één oog dicht en probeer de waslijn te pakken. Diepte schatten lukt nauwelijks. Voor vogels is het inschatten van de afstand tot een hoogspanningsdraad op dezelfde wijze ingewikkeld. Hun ogen staan dicht bij elkaar en vanwege de vliegsnelheid is er ook weinig tijd om even na te denken van hee, wat zie ik eigenlijk op ramkoers. Voor 's nachts vliegende vogels speelt dit nog sterker. Het gevolg is dat zich met regelmaat vogels te pletter vliegen tegen hoogspanningsdraden en dan met name de dunnere bliksemdraden bovenin. In tegenstelling wat je zou denken, een draad geeft niet mee als je er tegenaan botst en het is alsof je tegen een massieve metalen staaf aan botst. Dat overleven vogels niet altijd. Er is betrekkelijk weinig onderzoek naar gedaan, maar de getallen variëren van enkele tienduizenden tot over een miljoen zogeheten draadslachtoffers per jaar in Nederland.

Dat dit een probleem is, is al langer bekend. In de dunne bliksemdraden van de meeste hoogspanningslijnen bevinden zich vogelweringsspiralen (meestal varkensstaarten genoemd) of er zijn ballen in aangebracht, hoewel die laatste vaak eerder met de luchtvaart dan met vogeltrek te maken hebben. Een dubbelfunctie kan natuurlijk ook, zoals bij Hattem is gedaan waar een militair oefenterrein in de buurt ligt. De masten roodwit verven levert vogels geen boodschap op. De varkensstaarten hebben effect, maar het is beperkt en een belangrijk, steeds beter onderkend probleem is er niet mee op te lossen: ze werken niet in het donker. In Duitsland is geëxperimenteerd met kunststof lamellen die een zacht geklapper laten horen als de wind tegen de lijn blaast. Geluid is op zich een goede gedachte, maar als de wind harder waait gaat het geluid verloren in ander geruis.

Omdat het behalve in december geen aantrekkelijk idee is om glow-in-the-dark bliksemdraden aan te brengen of er verlichtingssnoeren in te hangen moest Tom Poes een list verzinnen. Die is er tegenwoordig in de vorm van de Firefly. Niet de rakettenbouwer, maar de merknaam van een type bliksemdraadmarkering met unieke eigenschappen die ook gepatenteerd zijn. De verschikker bestaat uit een kleine hardplastic savoniusrotor aan een wartel, die in de wind een ronddraaiende beweging maakt. Een beetje zoals de reclameborden uit de jaren 90 met 24 uur Fotoservice die in de wind stonden rond te draaien in de winkelstraat. (En als dat ding hard draaide was ie niet te lezen.) Op de rotor zijn twee stippen aangebracht die optische witmakers bevatten en die overdag om dezelfde reden opvallen als een hesje, maar ook twee stuks die hun reflectie uitvoeren in het nabij UV-licht. Vogels kunnen meestal een klein stukje verder het UV-spectrum in kijken dan zoogdieren, zodat een dergelijke verschikker voor vogels in het donker beter zichtbaar is dan voor ons.

Het interessante aan de firefly is dat deze kan worden aangebracht met een drone. Een klem slaat dicht zodra de bliksemdraad ertussen komt, zodat de lijn niet uit dienst hoeft om ze aan te brengen en er hoeft ook geen lijnfietser aan het werk met een tas vol spiralen, zoals vroeger gebeurde wanneer varkensstaarten moesten worden aangebracht. Een aantrekkelijke oplossing dus, waarvan wel gezegd moet worden dat het daadwerkelijke effect pas bekend zal zijn wanneer ze er enige tijd hangen.

Tennet heeft ze gebruikt in de Eemshaven in de tijdelijke verbinding tussen Robbenplaat en Oudeschip (2017-2023) en heeft ze recent aangebracht in de 150 kV-lijn Dodewaard – Ede. Er zal monitoring plaatsvinden van het aantal draadslachtoffers, waarbij het eigenlijk jammer is dat er voorheen vrij weinig structureel onderzoek is gedaan zodat de nulsituatie zonder fireflies een beetje in het duister tasten is. Het lijkt vrij zeker om aan te nemen dat we de komende jaren in veel meer verbindingen fireflies in de bliksemdraden zullen zien.

Afbeeldingen: verschrikkers onder de merknaam Firefly zien eruit als een savoniusrotor met vier stippels, twee in het zichtbaarlicht en twee anderen die in het nabij UV opvallen. Ze kunnen met een drone worden aangebracht. Onder: vrij extreem toepassingsvoorbeeld in tuidraden van een noodlijn (vergroting hier), want ook daar kunnen vogels tegenaan vliegen. Tevens verhogen ze de attentiewaarde voor werklieden in een drukke omgeving. 

29 november 2023 Tegenwoordig zie je op nogal wat stations powerhouses en provisorische oplossingen staan. Vaak voor een aantal maanden of een jaar. Maar er zijn ook privisoria die er al veel langer staan. Nederlands recordhouder is Crailo 50/10 kV, en na 23 jaar wordt het provisorium eindelijk afgelost door een permanent station.

Een vol net is van alle tijden. Het kwam rond de eeuwwisseling ook wel eens voor. Als het niet op te lossen valt met operationele maatregelen binnen het bestaande net, zal er een nieuw koppelpunt moeten worden gecreëerd met het bovenliggende netvlak. In het Gooi is dat een 50 kV-net. In de omgeving van Laren liep Nuon in 1999 tegen deze kwestie aan en men besloot tot het aanleggen van een nieuw 50 kV-station. Op papier niet zo spannend, maar toen begon het gedoe. Of het kwam door geldgebrek, aquisitie van een terrein, mopperende Gooische vrouwen of een halfbakken wijziging in de netstrategie, we weten het niet en het is in de mist der tijd verdwenen wat de reden was dat het niet lukte om meteen een permanent station te bouwen. Wat we wel weten is dat de nood hoog genoeg was om tijd te kopen met een sneller te bouwen en minder vergunningsplichtig provisorium.

Vanuit 's Graveland werd een zes kilometer lange, enkelvoudige 50 kV-kabel gelegd naar een verloren hoekje van het militair oefenterrein Crailo. Op het uiteinde van de kabel werd een 50/10 kV trafo aangesloten zonder schakelaars, zodat de machine op een zeer lang steeltje vanuit 's Graveland zat. Naast de trafo werd een omgebouwde zeecontainer opgetuigd tot een schakelruimte. Voor de goede sier werd de container opgeschilderd in Nuon huisstijl geelpaars, er werd een hek omheen gezet en de 10 kV-zijde werd verknoopt met het reeds aanwezige net van Laren. De stroom werd erop gezet en nu kon men met wat meer rust in het achterste verder zoeken naar een permanent terrein voor het uiteindelijke station.

Iedereen die wel eens is verhuisd of in een nieuwe woning is gaan wonen zal het herkennen: hoe lang duurde het wel niet voordat de laatste lamp die nog aan twee draadjes aan het plafond bungelde werd vervangen door de uiteindelijke lamp? Als iets het eenmaal provisorisch doet is de druk van de ketel en zakt het onderliggende probleem terstond tien stappen op de prioriteitsladder. Zo verging het ook Crailo. In opeenvolgende KCD's vanaf 2003 zakt Crailo langzaam weg van een lopend project tot een bodemprioriteit, uiteindelijk slechts aangeduid door een laf zinnetje 'Crailo is een provisorium' in de assetlijsten. Netbeheerder Nuon, die na de splitsing een tijdje in Continuon en daarna in Liander veranderde, had intussen wel andere dingen aan het hoofd dan dat kleine provisorium op een gaar onzichtbaar hoekje van een inmiddels uit gebruik geraakt oefenterrein.

Tot circa 2015, toen kreeg Liander weer aandacht voor Crailo. De vraag naar capaciteit in de regio nam toe en wel zodanig dat bij een storing van Crailo 50 kV of een storing van de 10 kV-kabels vanuit Hilversum of Naarden de overblijvende invoeding het nauwelijks nog in zijn eentje aan kon. Het plan voor een permanent station met redundantie in schakelmogelijkheden werd afgestoft en er zal met frisse moed aan zijn begonnen. Al gauw bleek dat het probleem dat in 1999 de oorzaak was om überhaupt voor een provisorium te kiezen nog altijd actueel was: er bleek moeilijk een locatie voor een permanent station te vinden. Wie op de luchtfoto kijkt kan zich daar grotelijks over verbazen, want op het voormalige militaire terrein is ruimte beslist geen probleem. Maar ja, het is Nederland en we kijken nergens meer van op.

Jarenlang werden verschillende locaties onderzocht,zonder resultaat. Uiteindelijk vond Liander pas in 2022 een terrein om op een paar honderd meter van het provisorium een permanent station te kunnen bouwen. De bestaande enkelvoudige kabel wordt dan verlengd. Het lijkt er niet op dat er ook een tweede kabel wordt gelegd. Toch gaat de leveringszekerheid omhoog ten opzichte van het provisorium wanneer er eenmaal meerdere verschakelbare trafo's achter een enkelvoudige steeklijn staan omdat de trafo's nu onderhoudbaar worden zonder VNB

Liander wil het nieuwe Crailo halverwege 2024 in gebruik nemen. Als we aannemen dat dat wordt gehaald en dat het provisorium medio 2000 onder spanning kwam, dan is er bijna een kwart eeuw sprake geweest van een tijdelijke situatie, waarbij je je kan afvragen wat het idee van tijdelijk nog waard is in dit geval. Er zijn zelfs permanente stations geweest die korter hebben bestaan dan provisorium Crailo, zoals Hoogeveen 220 kV. Feit is wel dat we met het permanent maken van Crailo een opmerkelijke netsituatie verliezen, maar dat doen we bij HoogspanningsNet niet zonder hem bij te schrijven in het rariteitenkabistroomnet. 

Afbeeldingen: dronefoto van Crailo 50/10 kV, een typisch provisorium met weinig opsmuk en met de trafo op een steeltje. Midden en onder: het nieuwe Crailo als permanent station met meerdere trafo's en een gemetseld schakelgebouw (hier nog in aanbouw). Foto's met dank aan PJK. Bekijk ook de netkaart, momenteel een overgangssituatie.

De HoogspanningsNet Netkaart voor je PC, browser, tablet en telefoon.

– Altijd het net op zak.

Meer info Handleiding FAQ GIS/KML

Actuele load

Waar zijn de netprojecten?

Kijk waar de netuitbreidingen zijn!
Netuitbreidingskaart TenneT
Netprojecten Elia
TYNDP Europa door ENTSO-E

Credits en copyright

Creative Commons Licentie

Tenzij anders vermeld, bevindt de content op deze website zich onder een CC BY-NC-ND-licentie.

Lees de volledige disclaimer hier.