HoogspanningsNet - alles over hoogspanning op het het

Hoogspanningstechniek

Mast van de Maand



Mast 45, Ans - Jupille
----------------------------------------------
Het is weer december, traditiegetrouw dus een dennenboommast in deze rubriek, hoewel dit in België ook gewoon een dubbelvlagmast wordt genoemd. Je kan het amper gemist hebben de laatste jaren, maar de plek van deze foto, Luik, is voor pylon geeks een van de interessantste gebieden van de Lage Landen. Je kan er dagen rondzwerven en de aparte sfeer van weliswaar kwijnende, maar ook historisch waanzinnig interessante industrie proeven. Deze keer staan we op de Maasoever, waar de momenteel spanningsloze 70 kV-lijn tussen Ans en Jupille op de foto werd gezet door Bavo Lens. De mast is een van de twee kruisingsmasten, het exemplaar aan de zijde van het industrieel en historisch indrukwekkende trafostation Bressoux. De lijn werd ooit gebouwd als verbinding tussen Ans en de steenkolenmijn van Montegnée, maar de lijn staat nu op nominatie van sloop vanwege een nieuwe 150/15 kV trafo in Ans die de invoeding heeft overgenomen. Vanwege de waterkruising is de mast voorzien van een roodwitte obstakelschildering. Wat echter bij pylon geeks nog sneller de aandacht trekt is die extra traverse. Vier verdiepingen komt wel eens vaker voor, maar dan worden de boventraversen voor de bliksemdraden gebruikt. Deze staan leeg en het lijkt er niet op dat er in recente tijden iets aan heeft gehangen. Wie hier meer vanaf weet mag het zeggen.

Hoogspanning en gezondheid?

Antwoord op alle vragen vind je bij het RIVM (NL) of het Departement Leefomgeving (B).

HoogspanningsNet behandelt dit thema met opzet niet zelf. (Waarom niet?)

Geknetter en gebrom?

Geen zorgen, dat is normaal.

Mastverrommeling


Doet dit ook jouw tenen kromtrekken?


Zoek je de netbeheerder?

Dat zijn wij niet. Ga naar de website van TenneT TSO (NL) of Elia (B).




Of ga naar ENTSO-E voor het Europese samenwerkingsverband tussen netbeheerders.

Berichtenarchief

29 november 2021 Buiten is het maar een grijze bedoening en corona helpt ook niet bepaald mee in veldwerk doen. Er wordt intussen natuurlijk wel gewoon verbouwd in het net, maar in dat rijtje van wijzigingen zit een opvallend exemplaar: het verdwijnen van Barneveld 50 kV. Hoe zit dat, in tijden waarin elke MVA ongeacht de spanning goud waard is?

Wie op de netkaart loert (en dat kan je nooit genoeg doen) ziet dat de spanning 50 kV in Nederland twee verschillende gezichten kent. Op de meeste plekken zien we stervormige patronen, soms vermaasd, die aangeven dat 50 kV als distributienet wordt gebruikt. Fraaie voorbeelden zijn Soest, Driebergen en 's Graveland. Maar er zijn ook plekken waar 50 kV meedoet met de grote jongens en waar het een transportfunctie heeft. De kop van Noord Holland, de Zeeuwse 50 kV-ring en een lang bovengronds tracé door de Gelderse vallei zijn daar voorbeelden van. Op zulke plekken is 50 kV de ruggengraat van het net. Het is daar ingewikkeld om zomaar een station op te doeken, los van dat opdoeken sowieso maar zelden gebeurt. Toch is dit jaar een heus 50 kV-station in een transportnet verdwenen. Barneveld (est.1960) is veranderd in een 20 kV-station.

50 kV door 20 kV vervangen is het mantra van netbeheerder Liander. Ruim tien jaar geleden was Duiven van plan om op de lange termijn 50 kV compleet te willen elimineren. Wie inmiddels de nieuwste investeringsplannen erop naslaart ziet dat de soep niet meer zo heet wordt gegeten, want de wereld is veranderd en Liander is erachter gekomen dat de luxe uitgangspositie van 50 kV stapsgewijs vervangen door 20 kV niet meer lukt. Die 20 kV moet er zeker komen, maar op steeds meer plaatsen niet meer ten koste van 50 kV. Vanwege de toegenomen transportvraag is vervangen daar veranderd in behouden: alsnog die 20 kV aanleggen, maar nu voor erbij in plaats van ter vervanging van. 50 kV wordt zo lang als het technisch nog kan behouden (kwestie van einde levensduur componenten), zodat de capaciteit van het totale net groter blijft. Dat 50 kV zijn pensioen moet uitstellen zien we met name in delen van Noord Holland, waar in Zaandam bijvoorbeeld zelfs een splinternieuw 50 kV-station moet worden bijgesticht. 

Toch zijn er nog steeds plekken waar 50 kV wel verdwijnt. Medemblik en Angerlo verliezen die spanning, in Apeldoorn is hij al verdwenen in 2019. En op lange termijn (2030) worden mogelijk Bemmel en Culemborg naar 150 kV gebracht. Soms red je het even met wat knabbelen aan de N-1 en een provisorium achter de rhodondendron, maar in Barneveld was er nauwelijks mogelijkheid om aan de bestaande potten en pannen nog wat te verzwaren. Barneveld zat ingelust in een lange 50 kV transportverbinding tussen Ede en Harderwijk, waar ook Nijkerk nog in hangt. En die lijnen met ordegroottes 30 tot 40 MVA zaten aan hun taks: verzwaren is niet realistisch, maar beide stadjes bleven groeien in hun transportbehoefte. Dus okee Barneveld en Nijkerk, wie moet er van het net af? Strootje trekken?

Zo wordt het niet gespeeld, dus er is gekeken welk van de twee stadjes het makkelijkst op vers vermogen van elders kon worden aangesloten. Voor Nijkerk zou oplossing een grote operatie met een volledig nieuwe 150 kV-aansluiting betekenen. Maar voor Barneveld was het eenvoudiger, want de bestaande 150 kV-aansluiting van het plaatselijke industrieterrein Harselaar, redelijk in de buurt, bood mogelijkheden voor wat verzwaring. Als Barneveld 50/10 kV kon worden aangesloten met een nieuwe 20 kV kabel vanaf het bestaande 150/20 kV-station op het nabijgelegen industrieterrein, dan kon 50 kV vervallen, kon heel Barneveld uit de doorgaande hoogspanningslijn worden losgenomen, en kon Nijkerk weer opgelucht ademhalen.

Precies dat is gebeurd. Op Barneveld is een nieuw setje 20/10 kV trafo's geplaatst, er is een zware 20 kV kabel aangelegd naar Harselaar 150/20, en daarna zijn de 50 kV schakeltuin, de 50/10 kV trafo's en de aansluiting op de hoogspanningslijn weggehaald. 50 kV Ede – Barneveld – Nijkerk werd nu rechtstreeks Ede – Nijkerk, met een nieuw opstijgpunt (genomineerd voor de ducttape-award als je kijkt hoe die erbij staat) en daarmee is er netstrategisch een robuustere situatie bereikt, maar wel ten koste van een 50 kV transportstation. Nijkerk zit nu op Harderwijk met twee circuits en het lijkt erop dat bij normaalbedrijf een netopening in de verbinding met Ede zit, die bij behoefte natuurlijk kan worden gesloten.

Dergelijke vraagstukken zijn aan de orde van de dag in het hoogspanningsnet (ja, 50 kV, je mag meedoen). We zien het ook in de middenspanning en iedere keer is het noodzakelijk een goeie kennis van het net te hebben. De leeftijden en transportvermogens van componenten en verbindingen, de verwachte ontwikkelingen, veranderende omstandigheden en daarmee wijzigende no-regret maatregelen. De investeringsplannen staan er vol mee, ons forum ook, en je kan de komende decennia ook uitstekend een baan vinden in dit vakgebied. 

Afbeelding: nieuw opstijgpunt pal naast het voormalige 50 kV-station van Barneveld, foto door Ruben Schots. De eindmast, die vanwege de inlussing gedraaide traversen had, is nauwelijks aangepast en er zijn twee jukken met eindsluiters plompverloren onder dezelfde schuine hoek onder gezet. Eh… wat we als pylon geeks gewoonlijk zouden mompelen bij deze aanblik houden we maar voor ons, aangezien Barneveld niet de beste plek is om dat hardop uit te spreken. Onder: deel van de netkaart met de lange 50 kV transportlijn, die nu natuurlijk nog langer is geworden. Zo is het dan ook weer.

01 november 2021 Pak de netkaart, een stressballetje en een zak chips, het is zover: de landelijke en regionale netbeheerders in Nederland hebben vandaag hun nieuwe conceptversies van het Investeringsplan vrijgegeven. De inhoud is nog niet definitief, maar de investeringsplannen geven wel een prima indicatie van wat de netbeheerders verwachten dat er staat te gebeuren in hun concessies. 

Investeringsplannen zijn een wettelijke verplichting voor netbeheerders. Iedere twee jaar (minimaal) moet een netbeheerder een investeringsplan voorleggen aan de ACM. Maar het is in feite ook bedoeld voor andere netbeheerders, voor relevante overheidsorganen, voor zware klanten en voor investeerders. En jazeker, ook voor alle andere geïnteresseerde partijen in de netontwikkeling en netstrategie, waar we bij HoogspanningsNet ook onder vallen. Daarom kunnen deze plannen gratis worden ingezien ter leering ende vermaeck, maar vooral om een brede, gedegen blik te ontwikkelen van wat er de komende jaren staat te gebeuren aan renovaties, uitbreidingen, reconstructies en prognoses in het net.

Vroeger was er minder regie op dit proces en toen heetten dergelijke schrijfsels KCD- of KCP-documenten (Kwaliteits- en CapaciteitsDocument). We hebben er een archief van op deze site. Sinds een jaar of twee heeft de Nederlandse overheid de regels gelijkgetrokken en een frequentie en format afgedwongen, waardoor er vastigheid is ontstaan. Sindsdien is de term KCD verdwenen, maar de erfenis ervan niet: nog altijd volgen de investeringsplannen dezelfde opzet als die in de KCD-tijd gebruikelijk was. Ze bestaan telkens uit twee delen, niet verrassend een kwalitatief en een capaciteitsdeel. Het kwalitatieve deel bestaat iedere keer uit geneuz... eh, een verhandeling over assetmanagement, risicomatrices en flowcharts voor investeringsbeslissingen. Interessanter is het capaciteitsdeel: daarin staan de kaartjes, getallen, capaciteiten en plannen concreet beschreven. Voor pylon geeks is dat met het hart in de keel scrollen op zoek naar of die ene verbinding blijft bestaan en of er een nieuw station bij komt. Welke verbindingen en stations worden gebouwd, gewijzigd of gesloopt? Waar komt er een station, trafo of spanning bij? Zijn er interessante klantaansluitingen waarmee de netbeheerders rekening houden? En klopt dat ene getalletje op onze netkaart nog?

De investeringspannen die nu worden gepresenteerd zijn conceptversies. Dat is belangrijk om te weten. Het betekent dat het rapport een concept is waarin de netbeheerder in eerste instantie schetst wat zij zelf verwachten binnen hun net. Het kan zijn dat andere netbeheerders willen inzetten op een andere investering die niet overeenkomt met de schets van de netbeheerder wiens investeringspan het is. Daarvoor is de consultatiefase. In november kan iedere partij met een direct belang m.b.t. de informatie in het investeringsplan commentaar aandragen of een aanvraag doen tot nader overleg. Op die manier wordt gepoogd om in de uiteindelijke, definitieve versie (verwacht in de nawinter van 2022) ook echt te kunnen definiëren wat er staat te gebeuren zonder dat netbeheerders onderling voor verrassingen komen te staan die door miscommunicatie zouden zijn ontstaan. We schetsen een voorbeeld van dingen die afgestemd moeten worden. Stel dat Tennet ervan uitgaat dat bijvoorbeeld Liander een sanering van het 50 kV-net in een bepaald stuk van hun concessie wil doorvoeren en daardoor bestaande 150/50 kV trafovelden wil verbouwen naar 150/20 kV. Maar Liander zelf ziet de bui al hangen en heeft besloten alle bestaande capaciteit zo lang mogelijk te handhaven, zodat 20 kV niet meer in de plaats van 50 kV komt, maar er als het ware gewoon extra bij wordt gelegd. Dat heeft zijn weerslag op de koppelcapaciteit op het 150 kV-station en ook op de hoeveelheid ruimte die daar nodig is voor trafo's.

In de loop van vandaag en de komende paar dagen komen alle grotere netbeheerders in Nederland met een verplicht concept-investeringsplan, waarna deze de rest van de maand bij elkaar, bij andere partijen en bij de ACM op de stoep ligt voor een rondje onderlinge feedback. Op den duur zorgen wij er hier voor dat we de definitieve documenten voorhanden hebben om bij te zetten in ons groeiend archief. Tot die tijd, en zolang het nog concepten zijn en/of het wachten is totdat de serie compleet is, hotlinken we even naar de portalpagina's van de investeringsplannen zoals ze bij de netbeheerders zelf op de site worden geplaatst.

TenneT Concept-investeringsplan 2022 (directe download als PDF)
TenneT Concept-investeringsplan 2022 Net op Zee (directe download als PDF)

Liander Concept-investeringsplan 2022 (stroom en gas)
Liander Concept-investeringsplan 2022 (150 kV FGU-net in CBL)

Westland Infra Concept-investeringsplan 2022

Enexis Concept-investeringsplan 2022 (directe download als PDF)

Stedin concept-investeringsplan 2022 (nu met Zeeland, het voormalig Enduris/Deltagebied)

Rendo concept-investeringsplan 2022 (directe downloads als PDF)

Coteq concept-investeringsplan 2022

Heb je consultat.. eh, correlatie nodig na een nieuw stukje kennis uit de investeringsplannen? Praat dan mee op ons forum.

Afbeelding: deel van een pagina van het concept-investeringsplan van Liander, de eerste van de grotere netbeheerders die hem vanmorgen online zette. Dergelijke rapporten bevatten getallen, kaarten, tabellen en ook heel veel neuzel, maar wie een beetje thuis is in het elektriciteitsnet heeft er een waardevol kompas aan voor wat er de komende jaren staat te gebeuren.

14 oktober 2021 Elia heeft ze al: dwarsregeltrafo's om problemen met doortransport te voorkomen in het Belgische 150 kV-net. In Nederland, waar 150 kV is verdeeld in circa tien deelnetten, leek zoiets nauwelijks nodig. Maar inmiddels heeft ook Tennet plannen voor (meer) dwarsregeling op het 150 kV-niveau.

Congestie, curtailment, knelpunten, krapte op het net… well, that escalated quickly. Wanneer we op congestiekaarten kijken (die zijn er inmiddels in soorten en maten) zien we dat Nederland in een verontrustend tempo rood kleurt. Er is toenemend vraag is naar transportcapaciteit door elektrificatie (inductiekoken, warmtepompen en datacenters) maar er is ook meer aanbod door decentrale opwek met zon en wind. Het betekent telkens dat meer transportruimte nodig is. Bij laag- en middenspanning is dat vaak een kwestie van het netwerk verzwaren: dikkere draden, 20 kV introduceren, grotere koppeltrafo's of gewoon meer draden ernaast leggen. Bij hoogspanning is het capaciteitsvraagstuk ingewikkelder. In deze netten is transportruimte meer dan alleen een kwestie van draaddikte. Het hangt ook af van hoe de verbindingen precies lopen en waar de historisch gegroeide knooppunten in het netwerk zitten.

Even opfrissen uit de St(r)oomcursus. Het elektriciteitsnet bestaat uit een handvol niveaus of netvlakken (10 kV, 50 kV, etc.) die als hiërarchische lagen over elkaar heen liggen. Ze zijn aan elkaar verbonden met transformators. Een net of netvlak bestaat uit meerdere deelnetten die op dezelfde spanning worden bedreven en die een eindige geografisch omvang hebben, zoals een stad of een provinciedeel. Deze deelnetten van hetzelfde hiërarchisch niveau lijken sterk op elkaar en ze vullen schouder aan schouder de netkaart op, waar ze samen een netvlak vormen. Deelnetten zitten ieder voor zich vast aan een groter bovenliggend net dat een stap hoger in hiërarchie is. Zo is ieder netvlak een koppelend net voor het netvlak er pal onder, maar het is juist zelf een deelnet als je het bekijkt vanuit het netvlak dat er pal boven ligt.

Twee deelnetten die gelijk staan in hiërarchie en die dezelfde spanning voeren kan je rechtstreeks aan elkaar verbinden zodat er een groter deelnet met twee of meer koppelpunten met het bovenliggende net ontstaat. Er is helaas wel een probleem als je meer koppelpunten hebt, want dan ontstaat er een sluipweg voor vermogen dat eigenlijk in het koppelende net moet blijven. Dit wordt in jargon doortransport genoemd. Het gaat dan al gauw over aanzienlijke vermogens die fysiek ruimte opeisen in het net van lagere orde. Ruimte die niet meer kan worden gebruikt voor decentrale opwek of voor extra verbruikers. Het net toch weer opdelen in twee of meer kleinere deelnetten kan dit oplossen, maar er zijn gevallen waarbij dat moeilijk is. En nu komen we bij wat Elia in België al langer bemerkt en wat nu ook in Nederland een factor wordt: wat als je om technische redenen een net niet kán opknippen terwijl er toch overbelasting door doortransport ontstaat?

Lange tijd was Utrecht een netstrategisch zorgenkind. Maar sinds het opleveren van Breukelen 380/150 kV is de situatie verbeterd en hoeft de Centrale Lageweide niet meer verplicht te draaien als een van de drie inkomende 150 kV-lijnen in onderhoud is. Breukelen vormde een nieuw koppelpunt met de 380, en opeens werd doortransport mogelijk dwars door het 150 kV-net heen tussen Dodewaard, lelystad en Breukelen. En zo werd het ene probleem uitgeruild voor een ander. Utrecht is momenteel deel van het FGU-net, een groot 150 kV deelnet dat met vier koppelpunten onder de 380 hangt (Dodewaard, Doetinchem, Lelystad en Breukelen). Al jaren hing het in de lucht dat het FGU-net opgeknipt zou worden in kleinere deelnetten, zie ons artikel van 04 september. Utrecht blijft echter via Dodewaard, Breukelen en Lelystad gekoppeld. Dat kon niet anders, want door de historisch gegroeide vorm van het net zou het verbreken van de verbinding naar Dodewaard of naar Lelystad een te grote storingsgevoeligheid opleveren voor Almere, Amersfoort en Utrecht zelf. En het nieuwe station Breukelen was er natuurlijk ook niet voor niets neergezet, dus om die er meteen weer af te gooien… Kortom, met het stijgen van de vermogensstromen door het net en het zwaarder belasten van 380 kV, ontstond er in de regio Utrecht steeds meer krapte op het 150 kV-net terwijl een nieuwe netopening of het verdelen in twee kleinere 150 kV-deelnetten niet praktisch is.

Wat nu? We kunnen dus de sluipweg niet dichtzetten, maar net zoals bij verkeer kunnen we de sluipweg wel zo onaantrekkelijk mogelijk maken. En dat is wat een dwarsregeltrafo doet.

Vermogen op een wisselstroomnet volgt bij voorkeur de weg van de minste weerstand. Als je dus de weerstand, of met een net woord impedantie van een bepaalde verbinding een beetje kan aanpassen, kan je alsnog het vermogen voor een deel via een andere route sturen. Dat wordt gedaan met speciale transformators, dwarsregelaars of phase shifters geheten. Dat is een trafo die (speciale uitzonderingen daargelaten) niet echt transformeert: de primaire en secundaire zijde hebben dus dezelfde spanning. Hij kan dan binnen hetzelfde netvlak worden geplaatst. Maar wat hij wel kan is een beetje spelen met de piek in de spanning en de stroomsterkte op iedere fasedraad, en daarmee de impedantie van een aangesloten verbinding op verzoek iets verhogen zodat deze onaantrekkelijker raakt voor sluipverkeer. Daardoor krijgt een overbelaste verbinding minder vermogen voor zijn kiezen en loopt er juist meer vermogen via andere routes, of blijft het voor een groter deel in een hoger netvlak zitten bij gebrek aan een vlotte sluipweg. In Utrecht is dit een geschikte oplossing om toe te passen op trafostation Lageweide.

We waren bij HoogspanningsNet in de veronderstelling dat het een 150 kV-primeur was in Nederland. Dat blijkt niet helemaal het geval te zijn, er is in het verleden dwarsregeling in Delft geweest en vandaag is er dwarsregeling op Europoort en in Leiden. Een tip in onze mail en een summier zinnetje in een oud KCD uit 2013 dwingt ons ertoe terug te krabbelen en de oplettende lezer(s) te danken voor de correctie.

Dwarsregeling is de normaalste gang van zaken in het ENTSO-E koppelnet (Europa, 380/400 kV) om zogeheten loop flows te bevechten die over duizenden kilometers dwars over het hele continent lopen en kostbare ruimte bezetten. Netbeheerders zetten zulke trafo's graag aan de randen van hun concessiegebied. Maar intern in het regionale net zien we het zelden. Elia in België doet niet aan deelnetten in het 150 kV-netvlak en daar is men bezig dwarsregeling toe te passen om grote vermogensstromen tussen oost en west te dwingen vooral in de 380 te blijven. In Chièvres is er al een 150 kV dwarsregeltrafo in dienst en er komen elders nog een paar bij. Na de twee situaties op Europoort en Leiden, zie de correctie hierboven genoemd, gaat ook het FGU-net nu aan dwarsregeling geloven om op Lageweide de interne 150 kV sluipweg tussen Breukelen enerzijds en Lelystad/Dodewaard anderzijds minder aantrekkelijk te maken.

Het is geen toverstaf om krapte mee op te lossen, want je kan maar in beperkte mate spelen met fasehoekverdraaiing. Een vervanger voor netverzwaringen is het ook niet. Maar wat het wel is, is een no-regret methode om het bestaande net efficiënter te kunnen gebruiken zonder dat de storingsgevoeligheid omhoog gaat. De kans is groot dat we dwarsregeling over een tijdje ook in het 110 kV-net gaan zien, want er zijn meer plekken waar dwarsregeltrafo's kostbare tijd voor ons kunnen kopen. Tijd die nodig is om daadwerkelijke, fysieke veranderingen en verzwaringen te kunnen realiseren. 

Afbeeldingen: zware dwarsregeltrafo op Zandvliet, in het 380 kV-net. Midden: Utrecht is nu ook oranje op de capaciteitskaart van Netbeheer Nederland. Onder: hoe krap is het op het net? En wat gebeurt er als een verbinding wegvalt of als ik de weerstand van een verbinding verhoog? Ontdek het zelf met de Tennet Powerflow Simulator en word een echte zolderkamernetstrateeg. Wij bij HoogspanningsNet hebben het koppelnet van Nederland al kant en klaar voor je gebouwd in de simulator, je hoeft het alleen nog maar in te laden en stuk te mak.. eh, er lekker mee te stoeien om van te leren. 

11 september 2021 Tennet en Qirion hebben de noodverbinding bij Kerkdorp vrijwel gereed, zodat de Veluwe na het incident op 18 juni (de vier omgeblazen deltamasten) weer in een 150 kV ringvorm zal hangen. Maar is een noodlijn nog wel nodig nu Dronten en Hattem met wat kunst- en vliegwerk op twee redundante steeklijnen hangen? Kunnen de oorspronkelijke masten niet vlotter hersteld worden zodat die noodlijn gewoon achterwege kon blijven?

In Kerkdorp is de rust ver te zoeken deze zomer. Eergisteren was Tennet-persvoorlichter Eefje van Gorp nog een beetje boos op Defensie omdat de Luchtmacht (alweer) met een Apache dichtbij en zelfs onder een hoogspanningslijn door vloog, terwijl er op die plek nota bene werd gewerkt aan een noodlijn. Een dag later was ze wat beter gehumeurd, want Tennet en Qirion vertelden op een bescheiden persmomentje dat de noodlijn bij Kerkdorp bijna klaar is. De veehouder die het meeste last heeft van de situatie wordt gecompenseerd voor het gedoe met noodwegen. Dat is belangrijk, het gezin heeft het er maar druk mee. (Zou dit toekomstige pylon geeks opleveren in Kerkdorp?) Het persmoment eindigt echter met een opvallende opmerking: over circa een jaar worden de gesneuvelde masten herbouwd.  Een jaar? Zo lang deed men in 1968 ook niet over vier masten. Vanwaar deze traagheid?

Eerst maar eens het strategisch belang van de noodlijn. Men heeft tijdelijke doorverbindingen in de draden geperst bij Dronten en Zuidbroek zodat alle stations weer via twee circuits in het net hangen. Dat lijkt acceptabel, want er zijn legio plaatsen waarbij dit ook zonder calamiteiten de normale gang van zaken is, zoals Emmen, Dokkum, Bergen op Zoom, Meppel en Steenwijk. De noodlijn heeft dan ook primair een andere reden. Door het bezwijken van de verbinding is de 150 kV-ring rondom de Veluwe onderbroken. Dat betekent dat het net kwetsbaar is als er een tweede storing zou ontstaan of als er dringend onderhoud nodig is, zeker bij de hogere netbelasting in de winter. Om die reden is het handig om in elk geval via één circuit de ringvorm te herstellen zodat tijdens de opvallend lange definitieve hersteltijd de druk wat van de ketel is.

Die lange hersteltijd heeft meerdere redenen. Te beginnen met de karkassen. De eh.. hoogspanningslijken liggen nog altijd in het veld en het opruimen van een bezweken mast is complexer dan normale gecontroleerde sloop. Zo staan sommige verwrongen latten onder grote mechanische spanning. Erin knippen kan resulteren in knappende bouten en dat kan gevaarlijk zijn. Ook zijn er honderden glaskap-isolators gesneuveld zodat het gras vol ligt met ontelbare glaskorrels. En dan is er nog de verf. In de jaren zestig werden andere verfsoorten gebruikt dan vandaag zodat de schilfers niet in het milieu mogen achterblijven. Het komt erop neer dat de grond onder de karkassen moet worden schoongemaakt of gesaneerd. Ook moeten de beschadigde fundamenten worden verwijderd. Afhankelijk van de situatie worden de heipalen losgetrokken (trillen, waterinjectie) of op twee meter diepte afgezaagd. Dat vraagt om grondwaterbemaling en ook dat is weer een gedoe. 

Een nieuwe mast dan? Is dat beter te doen? Even op de Berg iemand de zolder op sturen, het stof van de bouwtekeningen blazen en daarna is het een kwestie van bellen met een metaalbedrijf? Een van de wereldwijde pluspunten van een vakwerkmast is dat ze met heel alledaagse materialen in elkaar zitten en ook eenvoudig zijn te fabriceren: doodgewoon hoekstaal, platen en zeskantbouten. Goed, het is druk in de bouw en we zitten met wat leveringsmoeilijkheden van ijzer (een wereldwijd issue), maar metaalbedrijven die over een rollerbank met boorstraat beschikken zijn er overal en vier masten moet te doen zijn. Verondersteld tenminste dat je het niet Europees hoeft aan te besteden of twaalf weken lang een of andere tender open moet laten staan om de bouwklus te kunnen gunnen aan een bieder. Of dat in dit geval nodig is weten we bij HoogspanningsNet niet.

Nee, het echte probleem met nieuwe masten zit in hun ontwerp zelf. Het klakkeloos herbouwen van een mastontwerp uit 1968 is verboden. Of, op zijn gunstigst, niet zomaar toegestaan zonder eerst een herberekening te doen. De huidige NEN-IEC- en bouwnormen zijn veranderd en meestal strenger geworden. Dat betekent dat het oorspronkelijke ontwerp in 1968 weliswaar voldeed aan de toen geldende normen, maar dat het niet automatisch is gezegd dat het ontwerp ook door de normen anno 2021 heen komt. De mast uit 1968 moet worden gedigitaliseerd en vervolgens gepijnigd worden in een computermodel om te zien waar zwaktes zitten. Daarna moeten zwaktes, als ze niet voldoen, aangepakt worden. Dat is geen sinecure, want het is meer dan slechts een wat grotere knoopplaat of een andere staalsterkte voor de bouten. Telkens is herberekening nodig. Dat er inderdaad zwaktes in zitten die de huidige normeringen niet doorstaan is vrijwel zeker. Dat betekent trouwens niet dat oude masten opeens allemaal gevaarlijk zijn. Het is net als met een huis uit 1968: destijds is ie prima in elkaar gezet, maar met de technieken van vandaag zouden we sommige dingen simpelweg anders doen. Beter isoleren, ander soort keilbouten, 16A stopcontacten, dat soort dingen. 

Een geluk is dat de vier gesneuvelde masten identiek zijn: vier doodgewone S+0 exemplaren. Dat betekent dat er niet ook nog een nieuwe hoekmast hoeft te worden herontworpen. Echter, doorberekenen, herontwerpen, fabricage en uiteindelijk montage kunnen niet tegelijk plaatsvinden. Die stappen zijn per definitie op elkaar volgend en dus is er tijd nodig. Relatief veel tijd die er niet is als we de winter in gaan en de netbelasting toeneemt. Vandaar dat Tennet er toch voor gekozen heeft om een noodlijn te plaatsen. Meer redundantie, minder druk op de ketel, zodat herstel gedegen kan plaatsvinden.

Afbeelding: noodlijn in aanbouw bij Kerkdorp (foto door forumlid DvD). Midden: glaskappen zijn van veiligheidsglas. Dat gaat niet in scherven, maar in piepkleine korrels en die moeten worden opgeruimd. Onder: waar de modelbouwers zich niet hoeven te storen aan bouwnormen, moet de netbeheerder dat uiteraard wel: iedere bout moet worden doorberekend. 

04 september 2021 Al een kleine tien jaar waren er plannen, maar Tennet lijkt nu daadwerkelijk de bijl uit de schuur te pakken: het FGU-net, het grote 150 kV deelnet van Flevoland, Gelderland en Utrecht, wordt 'ontvlochten' en in drie stukken opgedeeld. Het wordt gedaan om congestie te bevechten. Hard nodig, maar deze operatie komt ook met een netstrategische prijs.

Iedereen die een beetje thuis is in de opbouw van een hoogspanningsnet weet wat er bedoeld wordt met de termen deelnet en koppelend net. (Niet? Geen nood, daar hebben we de Stroomcursus voor.) Een elektriciteitsnet is hiërarchisch getrapt. Er zijn een handvol discrete niveaus in stijgende spanning en omvang die over elkaar heen liggen. Netten van lagere orde zijn doorgaans kleiner van omvang en hebben een lagere spanning dan het bovenliggende net. Op trafostations zijn twee netvlakken verbonden via transformators. Een willekeurig netvlak bestaat dus uit een of meerdere deelnetten van een zekere spanning die voor de onderliggende spanning een koppelnet vormen, maar vanuit een bovenliggend netvlak met hogere spanning zelf weer een deelnet zijn.

Een deelnet is gebonden aan een maximale omvang en die wordt ingegeven door de maximale capaciteit van de verbindingen en schakelaars. Wordt een deelnet te groot, dan neemt de kans op storingen door overbelasting of teveel transport toe. Verder geldt dat het soms lastig is om een deelnet op geografisch meer dan één plek tegelijk te koppelen aan het bovenliggende koppelnet. Het deelnet zou dan kunnen gaan fungeren als een sluipweg voor de veel grotere vermogens die eigenlijk een netvlak hoger dienen te blijven. Dit heet doortransport en het gedraagt zich als vakantieverkeer: het neemt ruimte in op de weg, maar je hebt er als aanwonende geen voordeel van. 'Blijf lekker op de snelweg met je puntje-puntje-caravan' geldt dus ook voor elektriciteit op regionale hoogspanningslijnen.

Wanneer een deelnet vrij fors van omvang is, wanneer het beschikt over twee of meer koppelpunten met het bovenliggende net en wanneer de opbouw van een deelnet het toestaat, kan de netbeheerder ervoor kiezen om het deelnet in twee of meer stukken te knippen die ieder nog maar één koppeling met het bovenliggend net houden. Daarmee wordt doortransport voorkomen en komt er dus meer capaciteit vrij op de verbindingen. Capaciteit die hard nodig is in gebieden waar we met congestie zitten: meer vraag of meer productie van stroom dan waar het net technisch op is uitgelegd.

Het zo aangeduide FGU-deelnet omvat Flevoland, Gelderland en Utrecht. Dit aanzienlijke 150 kV deelnet heeft vier koppelpunten met het bovenliggende 380 kV-net en intern is het een heterogeen net met een aantal flink sterke en ook een aantal zwakke verbindingen. Het FGU-net wordt steeds zwaarder belast en de plekken met productie en met vraag veranderen ook. De Centrale Nijmegen is verdwenen zodat er netto meer transport is ontstaan vanaf Doetinchem en Dodewaard richting Arnhem/Nijmegen. Ook wordt Almere een steeds zwaarder belastingscentrum. Om doortransporten te beperken wil Tennet het FGU-net opdelen in drie stukken die grofweg neerkomen op de Achterhoek, de Betuwe, en de Veluwe plus Flevoland en Utrecht.

Opdelen? Betekent dat sloop van verbindingen? Meestal niet. Op de webkaart projecteren we geen netopeningen, maar op de netkaart in GE zijn ze af en toe zichtbaar in Nederland: gekantelde oranje fietsvlaggetjes. In feite zijn dat verbindingen waarvan de vermogensschakelaars normaliter open staan. Bij normaalbedrijf voeren deze verbindingen dus geen vermogen, maar bij onderhoud, calamiteiten of verbouwingen kan zo'n verbinding in een wip weer worden ingezet. Als de FGU-opdeling wordt toegepast worden de 150 kV-verbindingen Woudhuis – Zutphen, Kattenberg – Apeldoorn, Harselaar – Ede en Nijmegen – Zevenaar (netkaart) voorzien van een netopening en zal het FGU-net veranderen in drie deelnetten waarvan er twee stuks nog maar één koppellocatie met de 380 hebben. Doortransport is daar dan niet meer mogelijk.

Klinkt als simpel te realiseren. Trek wat breakers open en je kan weer aan de koffie op de Berg. Maar het is wel een maatregel die met een prijs komt. Doordat twee van de drie overgebleven, kleinere deelnetten nu nog maar één koppelingslocatie hebben met de 380 wordt het netwerk gevoeliger voor grote calamiteiten. Neem de brand op Doetinchem Langerak in 2019, waarna het volledige 380 kV-station halsoverkop spanningsloos moest worden gezet. Destijds kon dat probleemloos want het 150 kV-net werd ook ingevoed vanuit Dodewaard, Flevoland en Breukelen (netschema). Maar zou zoiets zich opnieuw voordoen bij een opgesplitst deelnet, dan moeten direct de netopeningen richting Zutphen en Nijmegen worden gesloten voordat de 380 kan worden losgenomen. Dat vereist handmatig ingrijpen. Verder zien we ook dat er ringvormen verloren gaan. Apeldoorn, Hattem en Dronten verliezen hun koppeling met het zuiden en het gebied komt als het ware op een enorme driecircuit-steeklijn vanaf het koppelstation bij de Flevocentrale te bungelen – dezelfde lijn als waarin op 18 juni vier masten werden omgeblazen in een flinke valwind. Omdat er nu nog koppeling met Zutphen en Apeldoorn is (een ringvorm) viel bij die gebeurtenis nergens de stroom uit, maar wanneer de ringvorm niet beschikbaar was zou dat wel zijn gebeurd. In het nieuwe opgeknipte FGU-net zal er bij eenzelfde calamitait onherroepelijk een korte storing ontstaan.

Samengevat (of losgenomen), een deelnet dat over meerdere koppelpunten beschikt kan je soms opdelen in kleinere deelnetten. Er zijn situaties waarbij dat technisch nodig of gewenst is, zodat je het netwerk hoger en efficiënter kan belasten omdat je het sluipverkeer kwijtraakt. Maar nadelen zijn het verlies van ringvormen en inleveren op geografische robuustheid. De schaar zetten in deelnetten, maar ook het verbinden van twee voorheen gescheiden deelnetten, is altijd een operatie waar met verstand naar moet worden gekeken en dat naast voordelen ook altijd nadelen heeft.

Afbeelding: het FGU-deelnet en de opdeling volgens een animatie van Liander (groter hier). Onder: FGU-deelnet schematisch voor en na de opdeling in drie deelnetten (vergroting) waardoor drie nieuwe netopeningen ontstaan. Merk op dat je vanaf de koppelstations Dodewaard, Doetinchem en Lelystad straks geen sluipweggetjes meer kan nemen via de blauwe 150 kV-verbindingen, maar ook dat er ringvormen verloren gaan.

De HoogspanningsNet Netkaart voor je PC, browser, tablet en telefoon.

– Altijd het net op zak.

Meer info Handleiding FAQ GIS/KML

Actuele load

Waar zijn de netprojecten?

Kijk waar de netuitbreidingen zijn!
Netuitbreidingskaart TenneT
Netprojecten Elia
TYNDP Europa door ENTSO-E

Credits en copyright

Creative Commons Licentie

Tenzij anders vermeld, bevindt de content op deze website zich onder een CC BY-NC-ND-licentie.

Lees de volledige disclaimer hier.